In het kader van de verlenging van het kwaliteitslabel van de Cerga-installatiebedrijven worden ieder jaar meer dan 2.400 steekproefcontroles uitgevoerd door een erkend controleorganisme.

Bij zowat 20% van de controles komt er echter wel één of andere opmerking aan de oppervlakte, waarvan we de betreffende installateur dan uiteraard op de hoogte brengen. We willen hiermee het werk van de installateur zeker niet goedkeuren of afkeuren. Het is een gezonde samenwerking die ervoor zorgt dat de Cerga-erkenning ook in de praktijk staat voor een veilige en degelijke installatie volgens de gangbare voorschriften.

Hieronder sommen we de meest voorkomende opmerkingen op die door de verschillende inspecteurs werden genoteerd. Onze bedoeling om deze bevindingen te delen is om de installateurs attent te maken op het feit dat continue opvolging van alle werken van groot belang is. Zo kan je evolueren naar een ‘lerende organisatie’, die zichzelf bijstuurt wanneer nodig en aandacht blijft schenken aan alle aspecten van een gasinstallatie. Daar willen we je vanuit Cerga graag in bijstaan.

1. De aarding van de gasleiding

De bovengrondse gasleiding moet worden verbonden met de equipotentiaalverbinding (de aarding) van het gebouw in overeenstemming met het AREI.

Het speelt geen rol wie deze verbinding aanbrengt, zolang ze maar is uitgevoerd.

Deze aansluiting verhindert dat bij een fout in de elektrische installatie de metalen gasleiding onder spanning komt te staan, wat elektrocutie zou kunnen veroorzaken.

Enkele aandachtspunten

  • Bij het PLT-buissysteem moet de klem voor de equipotentiaalverbinding op de fitting worden aangebracht en niet op de buis zelf. Bij een grote verliesstroom of blikseminslag kan het contactpunt tussen de aardklem en de PLT buis worden weggebrand
  • De aardgasleidingen mogen nooit dienst doen als aarding voor een elektrisch toestel of installatie.
  • Indien in een binneninstallatie één of meerdere isolatiekoppeling(e)n worden geplaatst, dient de hoofdequipotentiale verbinding opnieuw op de gasbuis aangebracht te worden stroomafwaarts van deze isolatiekoppeling.

2. De juiste beugelafstand voor gasleidingen

Het lijkt zo eenvoudig om leidingen te installeren en op een efficiënte manier vast te zetten. Respecteer echter altijd de maximaal toelaatbare ondersteuningsafstand in functie van het materiaal van de leiding. Er moeten ook beugels geplaatst worden ter hoogte van elke afsluitkraan, elke bocht of elk T-stuk.

Nog enkele andere aandachtspunten:

  • De beugels mogen de weerstand tegen hoge temperatuur (RHT) van het leidingwerk niet nadelig beïnvloeden. Dit betekent dat kunststof beugels niet toegelaten zijn, maar enkel beugels uit koper of koperlegering, koolstofstaal, verzinkt staal of roestvast staal.

Uitzondering: De PLT-buizen die op kabelbanen, kabelladders of in installatiekanalen zijn geplaatst, mogen bevestigd worden met kunststof beugels of strips

  • De leidingen en beugels dienen elektrisch geïsoleerd te zijn indien van een ander metaal vervaardigd.

3. Plaatsbepaling van de uitmonding van het rookgasafvoerkanaal van een gastoestel type C met Pn < 70 kW

De plaatsbepaling van het rookgasafvoerkanaal van een gastoestel type C met Pn < 70 kW moet voldoen aan de voorschriften bepaald in het zogenaamde “huisje in perspectief”, waarvan u hieronder enkel de overzichtstekening vindt.

Noot: de verdunningsfactor is niet meer van toepassing voor de plaatsbepaling van de CV-ketels van het type C met Pn < 70 kW.

4. Sectioneerkraan op elke inkomende gasleiding in een appartement

Elke inkomende leiding in een appartement moet uitgerust zijn met een sectioneerkraan, gevolgd door een T-stuk met stop of dop, ongeacht de lengte en ligging van de leiding en het aantal toestellen dat door de leiding gevoed wordt. De stopkraan voor een gastoestel kan in geen geval dienst doen als sectioneerkraan.

Hieronder vindt u enkele situatieschetsen:

5. De PLT fittings zijn niet geïsoleerd met autovulkaniserende band of thermokrimpkous

De PLT-fittings moeten na het uitvoeren van de dichtheidscontrole geïsoleerd worden met de door de fabrikant voorgeschreven autovulkaniserende wikkelband of thermokrimpkous. Dit is nodig om het indringen van vocht tussen de kunststof mantel en de RVS plooibare gegolfde buis te voorkomen en om het losmaken van de fitting door onbevoegden te vermijden.

Zelfs indien de fabrikant van het PLT-buissysteem beweert dat dit door de constructie van de koppeling niet nodig zou zijn, moet deze isolatie nog steeds worden aangebracht.

Published On: juni 9th, 2021Categories: Nieuws voor Cerga-gasinstallateurs, Normen en reglementering
SHARE

Zoeken

Meer berichten